Brugzinnen in interviews

Soms heb je, terwijl camera, microfoon of aandacht op je gericht staat, het juiste antwoord niet paraat. En soms sluit je droomquote nét niet aan op de formulering van de vraag. In dergelijke gevallen bieden brugzinnen uitkomst.

Kijk bij het gebruik van brugzinnen wél uit dat je niet “in principe zoiets hebt van dat je als het ware zeg maar” betekenisloos wat voor je heen gaat staan braken “om het zo maar even te zeggen“. Het is voor toehoorders niet fijn uit jouw verbale kots betekenisvolle stukjes te moeten plukken. Gebruik de brugzin liever als bindmiddel tussen vraag en antwoord. Als druppeltje secondelijm om het blokje Lego van je antwoord muurvast op de Meccano van de vraag te plakken.

Voor iedere brugzin geldt dat-ie snel slijt. Van brugzinnetjes heb je daarom zelden te veel frisse exemplaren. Maar gebruik ze met mate!

‘Dat is een goede vraag!’
Een van de slechtste brugzinnen. Je klinkt neerbuigend en nodeloos verrast terwijl je verraadt dat je zelf blijkbaar eerder nog niet aan deze vraag dacht. Als je bedenktijd nodig hebt, weten we nog wel een paar betere voor je:

‘Toevallig sprak ik gisteren iemand die me vertelde…’
O, gezellig”, denkt de interviewer, “dit wordt een levendig antwoord!” En ja, dat wordt het ook. Tenminste: als jij de juiste persoon aanhaalt die nu jouw punt onderschrijft, liefst in een pakkende, relevante anekdote. Niet te lang, natuurlijk. En meestal ook niet als de vraag te concreet was. (“Bent u tevreden met het bereikte Klimaatakkoord?” “Nou, toevallig sprak ik gisteren iemand…”)

De truc van het ‘toevallig iemand gesproken hebben’ wordt nogal eens gebruikt door volksvertegenwoordigers. Stáán ze weer te citeren uit bezorgde brieven van de achterban.

‘Uw vraag doet denk ik geen recht aan hoe ingewikkeld de kwestie is.’
Journalisten hebben de neiging (en vaak ook de taak) kwesties tot hoofdlijnen terug te brengen en in hapklare brokjes op te dienen. Meestal is dat heel begrijpelijk (denk aan het Jeugdjournaal) en kun je daar best een beetje in meegaan. Het zou de eerste keer niet zijn dat een antwoord daar beter van werd. Soms kan het zijn dat jijzelf, met al je achtergrondkennis, té genuanceerd bent om nog begrijpelijk antwoord te kunnen geven. Zoek in die gevallen hulp. En soms moet de interviewer gewoon niet zo stom doen.

De brugzin ‘Uw vraag doet geen recht aan hoe ingewikkeld etc…’ maakt direct duidelijk dat uit jouw mond in dezen geen chocoladeletterkoppen te verwachten zijn. Hou er wel rekening mee dat je de journalist zojuist een beetje terechtwees. Vindt-ie niet per se leuk.

‘De vraag zou eigenlijk moeten zijn…’
Kan een vervolg zijn op de voorgaande en kan ook los gebruikt worden. Let wel: door gevorderden en zeer charmante zegspersonen. Je corrigeert de interviewer en daar zijn ze niet allemaal van gediend. Natuurlijk zijn er allerlei minder netelige varianten van te maken, variërend van “Wat jammer dat u nou niet vraagt of…” tot “In dat kader vroeg iemand me nét nog…” Het is een wat minder sleetse variant van:

‘Waar het eigenlijk om gaat is…’
De brugzin ‘Waar het eigenlijk om gaat is…’ (“Wartaikomgaat”) is de afgelikte boterham die premier Balkenende ons naliet. Iedere interviewer weet dat hij, als hij deze zin hoort, mag overwegen direct de microfoon terug te trekken om de vraag opnieuw te stellen, al dan niet voorafgegaan door een afgemeten “waar het om zou moeten gaan is dat er hier één de vragen stelt en dat de ander daar antwoord op geeft”.

Een bruikbaarder variant is:
‘De mensen vragen zich nu denk ik vooral af of…’
Een journalist kan de natuurlijke neiging soms niet weerstaan zich te richten op gekrakeel, onmin en (politiek) gedoe. Soms leidt deze preoccupatie af van ‘waar het eigenlijk om gaat’. Laten we als voorbeeld verzinnen: er is een brug die wordt afgesloten omdat er groot onderhoud op wordt gepleegd. Dát is de nieuwsaanleiding.

Misschien suggereert de journalist al interviewend plots dat deze brug nú uit de route wordt genomen omdat ze destijds niet goed is aangelegd. Of dat er levensgevaar dreigde, à la Genua. Of dat onderhoud te lang achterwege bleef omdat publieke middelen verkeerd besteed werden. “Fraude..?” Allemaal zaken die voor nu afleiden van ‘Wartaikomgaat’: mensen kunnen de brug een tijd niet gebruiken. In zulke gevallen kom je denkelijk weg met een welgemikt “op dit moment vragen de mensen zich vooral of hoe ze de komende weken de Maas over moeten”.

‘Diverse internationale onderzoeken tonen aan dat…’
Tenzij je bestand bent tegen doorvragen (“O ja? Noem eens zo’n onderzoek dan!?”) is dit een levensgevaarlijke en saaie dooddoener – die niet zelden zo hol is als een bamboestengel. Als je écht weet welk onderzoek je aanhaalt én de uitkomsten onderschrijven inderdaad jouw punt dan lijkt het een gouden greep. Als je niet wilt klinken als een betwetertje is het altijd het overwegen waard deze kreet achterwege te laten.

‘In de tijd van de oude Grieken werd al gezegd dat…’
In de toekomst gaan we een dergelijke brugzin wellicht een ‘Thierry Baudetje’ noemen, of ‘De Zingende Zaag’: je vertelt, liefst zonder te klinken alsof je op de preekstoel staat, een anekdote die op het eerste gehoor helemaal niets met de gestelde vraag te maken heeft maar die wel, met een U-bocht, uitkomt bij het punt dat de interviewer aansneed. Of in ieder geval dicht genoeg bij dat punt om je eigen verhaal kwijt te kunnen.

Lukt je alleen als je én een goed verteller bent én een omgevallen boekenkast die heel veel anekdotes, fabels, mythes en mooie verhalen zo uit de mouw schudt en weet aan te sluiten op waar we het nu over hebben. (Is niet erg geschikt voor ‘harde’ interviews met hoge actualiteitswaarde: je staat er maar zo op als een rare kwibus.)

‘Wat u nu vraagt doet me een beetje denken aan…’
Oei, in deze vraag heb je eigenlijk helemaal geen zin. Nu is het zaak de aandacht af te leiden met een treffende analogie. Die kan zowel lastige vragen ontmantelen als jouw punt de onontkoombaarheid en onontkenbaarheid van een blok graniet geven.

Mensen als D66-oprichter Hans van Mierlo en, in de moderne politiek, Klaas Dijkhoff lijken zoveel ruimte in hun hoofd over te hebben dat ze als van een afstandje naar zichzelf, het gesprek én de hele kwestie kunnen kijken terwijl ze aan het woord zijn. Die afstandelijke ‘Wie doet me wat?’-rust en het vermogen zaken samen te ballen in pakkende analogieën maakt je als spreker bijkans onoverwinnelijk. Zeker als je een écht goed verhaal hebt.

De toehoorder weet al snel niet meer of het opgeroepen beeld wel helemaal klopt bij de onderliggende kwestie. Het beeld dat je opriep is te mooi om het pleit niet mee te kunnen beslechten.

Voorbereiding
Er zijn niet zo heel veel mensen die à l’improviste stevige voorbeelden, onthoudbare kernboodschappen en kloppende analogieën ten beste kunnen geven. De meesten hebben daar een beetje tijd en hulp bij nodig. Spreek als het enigszins kan je interview voor met iemand die weet hoe hij of zij je het best kan voorbereiden. Die doorvraagt, meedenkt, antwoorden bijschaaft. En die je aansluitend helpt zo ontspannen mogelijk het interview in te gaan; hoed je voor mediatrainers die je grillen of die je nerveus maken. Ze maken je geen betere versie van jezelf. Integendeel.

(Weet je wat? Klik gewoon op het onderste zwarte blokje. We staan klaar voor je!)